Site navigatie
Home Artikelen Maatschappij Vrijheid van meningsuiting, hoe ver(der)?
Vrijheid van meningsuiting, hoe ver(der)?
Written by Riaz Ahmadali   

Wikileaks is de laatste maanden regelmatig in het nieuws geweest. De organisatie noemt zich volgens Wikipedia "een internationale non-profit organisatie die geheime informatie uit anonieme nieuwsbronnen publiceert." Duizenden vertrouwelijke rapporten, die verborgen hadden moeten blijven, zijn nu beschikbaar voor de gehele wereld. Geheimen, die bestemd waren voor archieven, zijn nu openbaar geworden. Wikileaks heeft o.a. ook bekendgemaakt hoe negatief Amerikaanse diplomaten soms denken over diverse wereldleiders. Dit heeft de Amerikaanse overheid in verlegenheid gebracht. De VS heeft het publiceren van deze documenten, waarin duizenden citaten staan uit geheime communicatie tussen hoge functionarissen van de VS, sterk veroordeeld. Anderzijds echter heeft een Noors parlementslid, Snorre Valen, Wikileaks voorgedragen om een Nobelprijs te ontvangen vanwege het feit dat Wikileaks "een grote bijdrage heeft geleverd aan vrijheid van meningsuiting en transparantie."

Ook in andere gevallen is de vrijheid van meningsuiting ter discussie geweest. Zo is men het er nog niet over eens of de Nederlandse politicus Wilders er goed aan gedaan heeft door zijn anti-Islam film "Fitna" te lanceren en vele andere uitlatingen te doen die de Islam in een kwaad daglicht plaatsen. Ook de moord op Theo van Gogh, 2 november 2004, heeft voor heel wat beroering binnen de Nederlandse samenleving gezorgd. Men is er nog niet helemaal uit of dhr. Van Gogh wel op de juiste manier is omgegaan met de vrijheid van meningsuiting, bijv. door moslims als ‘geitenneukers’ aan te duiden, door dhr. Abu Jahjah ‘de pooier van de profeet’ te noemen en door, samen met de politica Ajaan Hirsi Ali, de anti-islamitische film ‘Submission’ te maken. Ook anderen hebben eerder negatieve gevolgen ondervonden van de vrijheid van meningsuiting. Bekende voorbeelden zijn de politicus Pim Fortuyn (wijlen) en imam Khalil El Moumni. Hoe ver mag men gaan met de vrijheid van meningsuiting? En hoe moeten we verder, gezien de vele onplezierige situaties die er ontstaan als een ieder vrij en blij in het openbaar zijn of haar zegje doet?

Historie

De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst zijn in de artikelen 6 en 7 van de Nederlandse grondwet vastgelegd. De godsdienstvrijheid in de huidige vorm sinds 1848. De vrijheid van meningsuiting (artikel 7) is een verdere ontwikkeling van de vrijheid van drukpers, die ook uit 1848 stamt. Beiden zijn zogenaamde klassieke grondrechten. Het non-discriminatie-beginsel van artikel 1 is een recente aanvulling van 1983.

De grondrechten van vrijheid van meningsuiting en van vrijheid van godsdienst zijn zelfs op het hoogtepunt van het negentiende-eeuwse vrijheidsdenken in Nederland nooit absoluut geweest. Beide artikelen hebben in al hun versies altijd de beperking gekend: "behoudens ieders verantwoor-delijkheid volgens de wet." Het bestaan van strafbepalingen over laster, smaad en eenvoudige belediging heeft dus altijd beperkingen gesteld aan de vrijheid van meningsuiting.

Aangaande het verbod op discriminatie, is vóór 1934 in Nederland met name de strafbaarstelling van eenvoudige belediging van belang. Zo kan het gebruik van scheldwoorden tegen personen niet worden gerechtvaardigd met een beroep op de vrijheid van meningsuiting. Bescherming tegen discriminatie diende vóór 1934 op persoonlijk niveau te gebeuren en wel via het delict van de belediging. In 1934 wordt artikel 137 c Strafrecht (oud) ingevoerd, dat belediging van bevolkingsgroepen (dus niet meer van personen alleen) in Nederland strafbaar stelde. Dit artikel was in feite de eerste als zodanig geschreven anti-discriminatie-bepaling.

In 1966 komt het Internationale verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie tot stand. Dit VN verdrag, dat mede naar aanleiding van de situatie in Zuid-Afrika en de VS tot stand is gekomen, dwong de Nederlandse regering tot het opnemen van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht. Dit is een belangrijke ommekeer in het internationaal rechtelijk denken over de verhouding tussen het verbod op discriminatie enerzijds, en de vrijheid van meningsuiting anderzijds. Dit verdrag stelt duidelijk dat non-discriminatie prioriteit krijgt boven de vrijheid van meningsuiting. Alle ratificerende staten verplichten zich over te gaan tot strafbaarstelling van het verspreiden, op welke wijze dan ook, van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, aanzetting tot rassendiscriminatie, en zo ook alle daden van geweld of aanzetting daartoe, die zijn gericht tegen een ras of een groep personen van een andere huidskleur of etnische afstamming. Ter voldoening aan dit verdrag zijn enkele artikelen in de Nederlandse strafwet opgenomen (137 c tot en met g en art. 429 quater).

Het verbod op discriminatie is heden dus vastgelegd in de Nederlandse Grondwet, in het Nederlands strafrecht en in internationale verdragen. De vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in de Nederlandse Grondwet, in de Europese Grondwet en in diverse internationale verdragen.

Dubieuze interpretatie

Ondanks alle regelingen, zoals hierboven behandeld, is een eenduidig beleid aangaande de vrijheid van meningsuiting zoek. Theo van Gogh, Pim Fortuyn en Hirsi Ali worden door het grote publiek gezien als moedig omdat zij de islam durven te beledigen, maar men neemt moslims hun uitspraken over bijvoorbeeld het Westen, Israël of homoseksualiteit ten zeerste kwalijk. Veel Nederlanders zien wel een gevaar in uitspraken van moslims over bijvoorbeeld homo's, maar maken zich geen zorgen over de gevolgen die zwaar beledigende uitspraken als die van Van Gogh kunnen hebben. Als een niet-moslim een racistische uitspraak doet, wordt zijn of haar geloof er niet bij betrokken, maar als zo’n uitspraak van een moslim komt, “hebben die achterlijke moslims het weer gedaan”. Vrijheid van godsdienst is verankerd in de grondwet. Maar de signalen dat de islam in Nederland nauwelijks wordt geduld, zijn talrijk. Vanuit het parlement worden pogingen ondernomen de islamitische scholen te verbieden. Het debat over het dragen van hoofddoekjes voor de klas, in de horeca, bij de politie en de rechterlijke macht, laait steeds weer op. De bouw van moskeeën wordt voortdurend gefrustreerd. Indien er grenzen moeten worden gesteld aan de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst, moeten die op iedereen van toepassing zijn, ongeacht ras, godsdienst of maatschappelijke positie.

Moraal en religie

Regelmatig moeten personen zich voor de rechter verantwoorden wegens smaad, laster of belediging. Ook politici zijn in het verleden wel eens voor de rechter gedaagd vanwege discriminerende uitspraken. Wijlen Hans Janmaat mocht bepaalde uitspraken over de multiculturele samenleving niet doen en toenmalig RPF-fractievoorzitter Leen van Dijke moest zich verantwoorden vanwege uitspraken over homoseksualiteit. In mei 2001 raakte de imam Khalil El Moumni in opspraak door zijn uitspraken over homoseksuelen. Hij werd, na door het Openbaar Ministerie voor het gerecht te zijn gedaagd, in april 2002 vrijgesproken, omdat de rechter vond dat hij het recht had om zijn eigen mening te uiten. In alle voornoemde gevallen werd gezocht naar de wettelijke grens aan de vrijheid van meningsuiting. Dat er ook fatsoensgrenzen zijn, bleef daarbij steeds buiten beschouwing. Wat moet met betrekking tot dit soort discriminerende uitspraken zwaarder wegen: de vrijheid van meningsuiting of het recht op bescherming tegen discriminatie?

Door de strikte scheiding van kerk en staat gaat men er vanuit, dat religieuze normen en waarden geen invloed mogen hebben op het openbare leven. Aan de ene kant is dit begrijpelijk, omdat er in een multiculturele en multireligieuze samenleving geen strikt uniforme normen en waarden zijn, die tot wet kunnen worden verheven, maar aan de andere kant is de scheiding van kerk en staat niet absoluut. Zo leggen hoogwaardigheidsbekleders, bij het aanvaarden van hun ambt, nog steeds een eed af, waarbij ook trouw aan God wordt gezworen. Van hen mag dan wel worden verwacht, dat zij hun persoonlijke religieuze en morele normen in acht nemen bij het uitvoeren van hun ambt. Zo ook heeft iedere andere burger van een samenleving een persoonlijke morele verantwoordelijkheid voor het helpen behouden van de orde en rust in de gemeenschap.

Religieuze boeken geven reeds eeuwen lang aanwijzingen hoe mensen zich dienen te gedragen tegenover hun medemensen. Zo bevat de Heilige Koran bijv. een verbod op roddel en laster, (49:11-12), een verbod op leugen en bedrog (2:188, 4:29, 5:62), een verbod op het valselijk beschuldigen van anderen (4:112), een verbod op het uiten van kwetsende taal in het openbaar (4:148), een verbod op het spotten met God’s Boodschap (4:140), een verbod op grootspraak tegen de ouders (17:23), enz. Ook andere godsdiensten kennen soortgelijke bepalingen. Ondanks het feit, dat door de scheiding van kerk en staat deze regelingen niet in de algemene wetten kunnen worden geïntegreerd, blijven de burgers verantwoordelijk voor hun uitspraken. In gevallen waar de wet geen duidelijke beperkingen stelt aan de vrijheid van meningsuiting, zal de individuele moraal de burgers dus in het gareel moeten houden, zoals reeds gesteld.

De andere kant

Wat moet de houding zijn van iemand, die in het openbaar beledigd wordt? Is de oplossing, om de kwaaddoener te vermoorden of op enige andere manier te pijnigen? De Heilige Koran stelt dat in gevallen, waar het toepasselijk is, gestraft mag worden met een straf gelijk aan het gedane kwaad. Als vergeving echter een betere oplossing kan brengen, dient vergeven te worden. Vooral in discussies gebiedt de Koran de moslims om zich fatsoenlijk te gedragen. In dit verband kunnen drie verzen worden aangehaald:

“Roep tot de weg van uw Heer met wijsheid en uitnemende vermaning, en redetwist met hen op de beste wijze.” (16:125)

“Het kwade en het goede zijn niet gelijk. Weer (het kwade) af met wat best is, en zie! Hij tussen wie en u vijandschap is, zal zijn of hij een boezemvriend was.” (41:34)

“Verdraag geduldig wat zij zeggen.” (20:130)

Kwaad met kwaad vergelden zal geen oplossing bieden voor de spiraal van beledigingen, die moslims en andersdenkenden tegenover elkaar uiten in Nederland, maar ook in vele andere landen. Slechts het respectvol behandelen van elkaar zal aan de ontstane pijnlijke situatie een eind kunnen brengen en voor maatschappelijke rust en vrede kunnen zorgen. Gezien voormelde aanhalingen uit de Heilige Koran hebben de moslims een voorhoederol om de eerste stappen te zetten naar een gezonde multiraciale, multiculturele en multireligieuze samenleving. Temeer daar de Koran in zodanige mate tolerantie aanbeveelt, dat moslims zelfs gebedshuizen van andere godsdiensten moeten beschermen, zoals vers 22:40 vermeldt: “En was er niet God's terugdrijven van sommige mensen door anderen geweest, zouden er zeker kloosters en kerken en synagogen en moskeeën, waarin aan God's naam vaak gedacht wordt, afgebroken zijn."

Terugroeprecht

Ook in Suriname is de afgelopen weken de vrijheid van meningsuiting ter sprake. De Nationale Assemblee is namelijk aan het debatteren over het aannemen van een “terugroepwet”, die politieke partijen het recht zou moeten geven om assembleeleden van een partij, die zich niet houden aan het beleid van de partij, terug te roepen. Zo’n wet zou de assembleeleden monddood kunnen maken, aangezien men dan niet meer vrij is zijn of haar eigen mening te uiten. De regering zou er goed aan doen onderzoeken te raadplegen, die op dit gebied reeds gedaan zijn. Afstudeerscripties van universiteitsstudenten hebben uitgewezen, dat het terugroeprecht nergens ter wereld naar behoren functioneert. Het zou dan ook niet wenselijk zijn om de meningsuiting van de Surinaamse assembleeleden – die immers vertegenwoordigers van het volk zijn, en niet van een bepaalde partij – afhankelijk te stellen van de visie van de politieke partij waartoe zij behoren.

Conclusie

In vrijwel geen enkele kwestie is het mogelijk om alles door wettelijke regelingen te omkaderen. Altijd zijn er wel mazen te vinden, die misbruikt kunnen worden door kwaadwillenden. Deze mazen kunnen alleen worden gedicht door de individuele moraal. Het is dan ook de morele verantwoordelijkheid van ieder individueel lid van de samenleving, om ervoor te zorgen dat er zich geen calamiteiten meer voordoen zoals die zich bijv. in de kwesties Pim Fortuyn en Theo van Gogh hebben voorgedaan. Aan de andere kant moet men zich niet de mond te laten snoeren, louter omwille van politieke motieven.

Tot slot

Absolute vrijheid zonder grenzen is ongekend en ondenkbaar.
Men zegt ook wel: "alles heeft zijn grenzen", mede getoetst aan de zgn. 'elasticiteitstheorie'. Als je tot het uiterste gaat, gaat de elastiek kapot, het verpakt materiaal valt uiteen en er is schade.
De vraag is: "Hoe ver mag je gaan?" Het antwoord is: "Net zo ver dat derden er geen last, hinder of schade van ondervinden."

Lees ook: Vrijheid van meningsuiting - de spirituele kant

 
Make Text Bigger Make Text Smaller Reset Text Size