Site navigatie
Home Artikelen Islam algemeen Hadj - Bedevaart naar het Huis van Allah
Hadj - Bedevaart naar het Huis van Allah
Written by Riaz Ahmadali   
De jaarlijkse bedevaart te Mekka, de Hadj, welke in 2011 op of omstreeks 4 november officieel van start gaat, is een verplichting voor hen die fysiek en financieel in staat zijn het te verrichten. Niettemin gaan er elk jaar ongeveer twee miljoen mensen naar Mekka vanuit elke uithoek van de wereld, hetgeen een unieke gelegenheid biedt voor mensen van verschillende naties om elkaar te ontmoeten. Hoewel Mekka altijd boordevol bezoekers is, begint de jaarlijkse Hadj in de twaalfde maand van het Islamitische jaar, Dhu-l-Hidjah genaamd (die een maanmaand is en geen zonnemaand, zodat de Hadj soms in de zomer en soms in de winter valt). De pelgrims dragen speciale kleren (ihrām), eenvoudige kleding die het onderscheid tussen klassen en culturen uitwist, zodat allen als gelijken voor God staan.

De afsluiting van de Hadj wordt gekenmerkt door een feest, de ‘Ied ul-Adhā (6 november 2011), die met gebeden en het offeren van een dier wordt gevierd. Deze, en de ‘Īd ul-Fitr, de feestdag die het einde van de vastenmaand Ramadān gedenkt, zijn de belangrijkste feesten in de Muslimkalender.

Hieronder worden de rituelen van de `Umrah en de Hadj beschreven.

De `Umrah

Algemeen

De `Umrah (soms aangeduid als de Kleine Bedevaart) bestaat uit het uitvoeren van een stel van vrome rituelen in de Masdjid al-Harām te Mekka. Deze rituelen vormen ook een essentieel deel van de Hadj. Men kan de `Umrah op elk tijdstip van het jaar, en zoveel keren als men wenst, verrichten.

De volgende zijn de essentiële onderdelen van de `Umrah:

  1. zich verkleden in de ihrām bij Mīqāt (grens), gevolgd door het uitspreken van de intentie (niyyah) om de `Umrah te verrichten, en het daarna veelvuldig opzeggen van de Talbiyah [labbaika etc., z.o.z.];
  2. de Tawāf al-`Umrah om de Ka`bah, gevolgd door twee rakāt sunnagebed, en het drinken van het water van Zamzam;
  3. het verrichten van de Sa`y;
  4. de Halq [scheren v/h hoofd] of Taqsīr [kortknippen v/h hoofdhaar], gevolgd door het zich verkleden in normale kleding.

Met deze handelingen is de `Umrah voltooid.

De Hadj

Algemeen

De Hadj bestaat uit een stel vrome rituelen in en rond Mekka, (d.i., in Minā, `Arafāt en Muzdalifah) in een voorgeschreven volgorde. De rituelen van de `Umrah, zoals hierboven beschreven, vormen een essentieel onderdeel van de Hadj.

Verschillende vormen van de Hadj

Er zijn drie verschillende vormen van de Hadj die de pelgrim kan verrichten: Hadj al-Ifrād, Hadj al-Qirān en Hadj al-Tamattu`. Allemaal omvatten in essentie dezelfde rituelen en daden van aanbidding. Het verschil bestaat hoofdzakelijk uit het uitspreken van de niyyah (intentie) bij Mīqāt.

Tawāf

De devote daad van de rondgang om de Ka`bah onder het opzeggen van gebeden en smeekbeden, wordt Tawāf genoemd. Zeven ronden om de Ka`bah voltooien één Tawāf.

Verschillende vormen van Tawāf

De pelgrim kan vijf verschillende vormen van Tawāf verrichten:

  1. De Tawāf al-Qudūm is de eerste Tawāf die men zal verrichten bij aankomst van de Masdjīd al-Harām in Mekka.
  2. De Tawāf al-Ifādah is de Tawāf die de pelgrim zal verrichten op de tiende dag van Dhu-l-Hidjah, nadat hij zijn ihrām heeft uitgetrokken en in zich in normale kleding heeft verkleed, en voordat hij naar Minā is teruggekeerd voor het stenigen.
  3. De Tawāf al-Wadā` (De Afscheids-Tawāf) is de Tawāf die de pelgrim zal verrichten onmiddellijk voordat hij Mekka verlaat voor de volgende bestemming. Dit is de laatste handeling die men in Mekka verricht.
  4. De Tawāf al-`Umrah is de Tawāf die men verricht als onderdeel van de rituelen van de `Umrah. Het is in essentie identiek aan de Tawāf al-Qudūm met uitzondering van de niyyah.
  5. De Tawāf al-Nafl is een Tawāf uit vroomheid die men op elk moment kan verrichten.

Sa`y

Algemeen

De devote daad van het zeven maal lopen tussen de heuveltjes van Safā en Marwah, die op enige afstand van de Ka`bah zijn gesitueerd binnenin de Masdjīd al-Harām, wordt Sa`y genoemd.

Volgens de traditie liet de profeet Abraham zijn vrouw, Hagar, en zoon, Ismaël (nog een kind), in de woestijn achter, vlakbij waar heden de Ka`bah zich bevindt, als gevolg van een Goddelijke openbaring. Helaas hadden zijn vrouw en zoon weinig proviand bij zich. Toen haar karige voorraad water was uitgeput en haar zoon het begon uit te schreeuwen van de dorst, begon Hagar naar water te zoeken. In haar wanhoop rende zij meermalen tussen de heuveltjes van Safā en Marwah op en neer en besteeg deze om een beter uitzicht te krijgen op het landschap, en misschien ook om te zien of er een reiziger te bekennen was. Toen zij bij haar zoon terugkeerde na enkele malen op en neer te hebben gerend, ontdekte zij dat vlakbij het kind op wonderbaarlijke wijze een bron was ontsprongen. Deze bron, Zamzam genaamd, ligt heden ten oosten van de Ka`bah binnenin de Masdjid al-Harām.

De pelgrim zal in de voetstappen van Hagar treden tijdens de Sa`y, ter herdenking van haar speurtocht naar water en de genade van Allāh in het verhoren van haar gebeden via het wonder van Zamzam.

Minā, `Arafāt, en Muzdalifah (8e - 13e dag van Dhu-l-Hidjah)

De rituelen die men te Minā, `Arafāt en Muzdalifah moet verrichten, vormen een essentieel deel van de Hadj.

De pelgrim zal in de volgende volgorde te Minā, `Arafāt en Muzdalifah verblijven:

  1. Minā: Na het Fadjr (ochtend)-gebed op de 8e dag tot na het Fadjrgebed op de 9e dag van Dhu-l-Hidjah;
  2. `Arafāt: na het Fadjrgebed op de 9e dag van Dhu-l-Hidjah tot iets na de zonsondergang op dezelfde dag;
  3. Muzdalifah: na de zonsondergang van de 9e dag van Dhu-l-Hidjah tot na het Fadjrgebed op de 10e dag van Dhu-l-Hidjah;
  4. Minā en Mekka: van de 10e tot de 13e dag van Dhu-l-Hidjah.

(1) `Arafāt

De pelgrim zal vóór de middag arriveren te `Arafāt. De Hadj zal niet voltooid zijn zonder de Qiyām al-`Arafāt, overeenkom-stig de sunna van de Profeet Muhammad (vrede zij met hem). Men dient zoveel mogelijk tijd door te brengen aan gebeden en het gedenken van Allāh.

(2) Muzdalifah

De pelgrim zal in de buitenlucht verblijven te Muzdalifah. Hij zal hier zeventig steentjes verzamelen voor het stenigingsritueel (indien hij deze niet reeds te Minā heeft verzameld).

De pelgrim zal te Muzdalifah overnachten en het Fadjrgebed aldaar verrichten. Daarna zal hij, vóór zonsopkomst, naar Minā vertrekken (in de ochtend van de 10e Dhu-l-Hidjah).

(3a) Minā (10e dag van Dhu-l-Hidjah)

De rituelen die men op deze dag moet verrichten, zijn als volgt. De grootste van de drie pilaren, die de duivel symboliseren, zal bij voorkeur vóór de middag zeven maal gestenigd worden. Een offer is nu vereist voor de Hadj al-Qirān en de Hadj al-Tamattu`, en wordt aanbevolen voor de Hadj al-Ifrād. De pelgrim zal nu doortrekken na de Masdjid al-Harām te Mekka voor de Tawāf al-Ifādah en daarna terugkeren en tot de 12e of de 13e van Dhu-l-Hidjah te Minā verblijven voor het stenigingsritueel.

(3b) Minā (van de 11e tot de 13e van Dhu-l-Hidjah)

Men zal op alle drie dagen na de middag alle drie pilaren stenigen. De steniging op de 13e van Dhu-l-Hidjah is vrijwillig. De pelgrim mag na deze ceremonie op de 12e dag van Dhu-l-Hidjah naar Mekka terugkeren om de afscheids-Tawāf (Tawāf al-Wadā`) te verrichten, hetgeen hij zal doen net voordat hij Mekka verlaat naar de volgende bestemming.

De Hadj gedenkt het offer van de profeten Abraham en Ismaël en vrouwe Hagar

Eén uniek aspect van de bedevaartrituelen is dat er in deze belangrijke vorm van aanbidding geen enkele gedenkwaardige gebeurtenis, die betrekking heeft op het leven van de Stichter van de Islām, de Heilige Profeet Muhammad (vrede zij met hem), in de Hadjrituelen is opgenomen. Het offeren van een dier is een eerbetoon aan de opofferingsgeest die de profeet Abraham toonde, toen hij bereid was zijn zoon Ismaël te offeren in gehoorzaamheid aan het Goddelijk bevel. De rondgangen om de Ka`bah zijn als eerbetoon aan Abraham en Ismaël voor het herbouwen van de Ka`bah. De Sa`y, het heen en weer rennen tussen de twee heuveltjes van Safā en Marwah, is een eerbetoon aan het geduld en de vastberadenheid die vrouwe Hagar, de moeder van Ismaël, toonde. Het gooien van de steentjes naar de drie pilaren, Satan symboliserende, is een eerbetoon aan het verzet dat Abraham bood aan de pogingen van Satan om hem af te brengen zijn zoon te offeren, toen hij hem naar de plaats van offer bracht.

En ook wanneer wij aan het einde van ieder gebed de darūd (aanroepen van Allāh’s zegeningen) opzeggen ten gunste van de Stichter van de Islām, de heilige profeet Muhammad (vrede zij met hem), zeggen wij ook met dezelfde geestdrift en ijver de darūd op voor de profeet Abraham (vrede zij met hem).

Eenheid onder de Muslims

Door de Hadj tot een bepaalde periode te beperken, heeft Allāh ongetwijfeld ten doel gehad de eenheid onder de Muslims te versterken. Inderdaad beveelt Allāh de Muslims om een eenheid te vormen (Qur’ān 6:160, 61:4, 3:102 e.a.). Het is derhalve spijtig dat bepaalde Muslimgroeperingen hun Muslimbroeders tot kāfirs (ongelovigen) bestempelen en hen ervan weerhouden de Hadj te verrichten, ondanks het feit dat Allāh in de Qur'ān (4:94) vermeldt:

“En zeg niet tot iemand die u vrede aanbiedt: u bent geen gelovige.”

En ondanks het feit dat de Qur'ān (22:25) de Muslims waarschuwt om anderen niet tegen te houden hun religieuze plichten te vervullen:

“Waarlijk, (aangaande) degenen die niet geloven en (de mensen) afhouden van de weg van Allāh en van de Heilige Moskee, welke Wij voor alle mensen gelijk hebben gemaakt, ... en wie daarin onrechtvaardig tot onrecht neigt, hem zullen Wij een pijnlijke straf doen smaken.”

En ondanks de traditie van de profeet Muhammad:

“Wie zegt: ‘Niets is aanbidding waard, behalve Allāh’, zich tijdens de gebeden naar onze Qiblah wendt, bidt zoals wij dat doen en het van ons geslachte dier eet, is een Muslim, en hij heeft dezelfde rechten en plichten, die andere Muslims hebben.” (Bugārī)

En tot slot zou ook Qur’ân 2:113 interessant kunnen zijn:

“En de Joden zeggen: de Christenen volgen niets (goeds), en de Christenen zeggen: de Joden volgen niets (goeds), terwijl zij hetzelfde Boek reciteren. Insgelijks zeggen degenen die geen kennis hebben, de gelijke van hetgeen dezen zeggen ...”

Bronnen:
- De Heilige Qur’ān
- SoundVision.com
- Speech van br. Nasir Ahmad, B.A. LL.B

 
Make Text Bigger Make Text Smaller Reset Text Size