Site navigatie
Home Artikelen Islam algemeen Waarom kunnen wij God niet zien?
Waarom kunnen wij God niet zien?
Written by N.A. Faruqui   
In het Koranvers 2:3 wordt een definitie gegeven van de plichtsgetrouwen (muttaqîn):

“Die in het Ongeziene geloven, en het gebed onderhouden, en uitgeven van wat Wij hen hebben gegeven.”

‘Ongezien’ is over het algemeen datgene, dat niet visueel of door middel van onze andere fysieke zintuigen kan worden waargenomen. Het Ongeziene in dit vers betekent Allah. Door het gebruik van het woord ‘Ongeziene’ wordt de aandacht gericht op dit specifieke attribuut van Allah en het effect hiervan op onze geestelijke ontwikkeling.

Taqwâ (afgeleide vorm van muttaqîn) betekent ‘het zich weerhouden van het kwaad en elke zaak die schadelijk is voor iemands geestelijke welzijn’. Deze kwaliteit zou niet ontplooid kunnen worden in de mens, indien wij Allah (Die Alomtegenwoordig is) met onze ogen zouden kunnen zien. Indien bijvoorbeeld een leerkracht aanwezig is in de klas, zullen de leerlingen gehoorzaam zijn. Dit betekent echter niet zij lieve kinderen zijn! Het werkelijke niveau van hun gehoorzaamheid wordt pas zichtbaar tijdens de afwezigheid van de leerkracht. Evenzo kan alleen iemand, die inderdaad gelooft in de Ongeziene God, werkelijk een muttaqî (iemand die zijn plichten vervult en zich weerhoudt van het kwaad) zijn.

De Koran vermeldt een beloning voor het geloof en voor iedere goede daad. Indien God zichtbaar zou zijn voor het menselijke oog, zou de mens geen enkele eer of beloning verdienen voor het geloven in Hem, of voor het verrichten van een goede daad. Wij zien dat velen in aanwezigheid van een politieagent de wet nauwgezet naleven. Dit maakt hen echter niet tot rechtschapen burgers.

Allah heeft Zichzelf dus voor ons visueel waarnemingsvermogen verborgen gehouden, doch de Goddelijke kracht is te allen tijde bij de mens.[1] Indien Allah slechts begrensd zou zijn tot de hemelen of tot een moskee, en een mens behoefte zou hebben aan Zijn hulp, hoe zou Hij die persoon dan kunnen helpen? De Koran vermeldt dat Allah Zijn dienaren te allen tijde helpt.[2] Ook is Hij Zich continu bewust van wat de mens doet.[3]

Het feit dat het menselijke oog Allah niet visualiseert, heeft helaas vele vormaanbidders op een dwaalspoor geleid. Vooral in de afgelopen honderd jaar begonnen mensen, beïnvloed door wetenschappelijk materialisme en de westerse cultuur, te stellen dat men niet van hen kan verwachten dat zij in God geloven, als zij Hem niet hebben gezien.

Hoe waarlijk groots is de voortreffelijkheid van de Schepper! Dezelfde wetenschappers, die het denken van deze mensen hebben beïnvloed, zeggen nu dat, hoewel wij materie kunnen zien en aanraken, wij nooit haar ware aard kunnen begrijpen, omdat het zich verder uitstrekt dan de atomen en elektronen tot een punt voorbij ons bevattingsvermogen. Wij kunnen ons de werkelijke aard van materie slechts realiseren via haar eigenschappen.[4]

Wanneer een onbeduidend ding als materie slechts gekend kan worden door haar eigenschappen, waarom worden er dan bezwaren geuit wanneer de Heilige Koran ons leert om op deze wereld het Goddelijk Wezen te erkennen via Zijn attributen?

Beperkingen van het menselijke gezichtsvermogen

Deze Westers georiënteerde personen realiseren zich niet dat de ogen slechts onze beperkte fysieke behoeften vervullen. In werkelijkheid geven de ogen ons niet eens betrouwbare informatie over Gods schepping. Hoe zouden zij ons dan betrouwbare informatie over Hem Zelf kunnen geven? Welke informatie zij ons ook geven, het is onvolmaakt. Zonder licht functioneert het menselijke oog niet, en na licht ontvangen te hebben, kan het slechts een beperkt spectrum daarvan visualiseren. Zelfs binnen dit beperkte spectrum is het niet in staat stralen van kortere golflengte te visualiseren, zoals ultraviolette en röntgenstralen, en die van langere golflengte, zoals infrarood, etc. En de verschillende beelden, die door het menselijke oog worden gevisualiseerd, zijn slechts in hun uiterlijke vorm. In werkelijkheid zijn alle dingen samengesteld uit gelijksoortige materiecomponenten. De verschillende kleuren, die het oog ziet in de verschillende objecten, zijn niet hun echte kleuren. Iets dat bijvoorbeeld als rood verschijnt, is in werkelijk niet rood van kleur. Het absorbeert alle andere kleuren behalve rood, die als enige kleur wordt teruggekaatst.

Onze ogen kunnen zelfs geen lichte toename van lichtintensiteit verdragen. Daarom adviseren natuurkundigen ons om niet rechtsreeks in de zon te kijken. En toch is onze zon maar een kleine ster. Er zijn miljarden andere sterren, die duizenden malen groter zijn in massa en in de hoeveelheid licht die zij genereren. Deze hemellichamen zijn, ondanks de enorme hoeveelheid fysiek licht die ze uitstralen, slechts een reflectie van het licht (nûr) en de macht van de Schepper. Zoals de Heilige Koran stelt: “Allah is het Licht van de hemelen en de aarde.” (24:35) Hoe kunnen wij dan verwachten het Goddelijke Wezen met onze ogen te zien?

De Heilige Koran heeft dit uitgelegd in een voorval met betrekking tot de profeet Mozes. De Israëlieten stelden, net als de tegenwoordige materialisten, een soortgelijke vraag aan hem:

“En toen u zei: O Mozes, wij zullen niet in u geloven, totdat wij Allah openlijk zien.” (2:55)

De Heilige Koran beschrijft dit voorval verder:

“En toen Mozes op Onze bepaalde tijd kwam en zijn Heer tot hem sprak, zei hij: Mijn Heer, toon mij (U), opdat ik U aanschouwe. Hij zei: U kunt Mij niet zien. Maar kijk naar de berg; indien hij vast op zijn plaats blijft, dan zult u Mij zien. Maar toen zijn Heer Zijn schittering aan de berg openbaarde, deed hij hem verpulveren, en Mozes viel in zwijm neder.” (7:143)

Toen Allah dus een reflectie van Zijn macht op de berg wierp, werd deze verpulverd en viel Mozes flauw. Indien een sterk iets als een berg de manifestatie van de Goddelijke Macht niet kon verdragen, hoe kan dan het menselijke oog (dat het meest delicate lichaamsdeel is) het weerstaan? Het probleem blijft echter, dat mensen graag iets tastbaars willen associëren met God. Dit heeft ertoe geleid dat stenen afgoden, een koe, of in het uiterste geval zelfs een medemens, werden (en nog steeds worden) aanbeden. Helaas werd hierdoor het concept van de Goddelijke Eenheid wreed verstoord.

De mens, of ieder ander schepsel, kan dus niet de grootheid en pracht van het Goddelijk Wezen visualiseren of begrijpen. Echter begrijpt Allah de volle reikwijdte en mate van wat zij, of welk ander van Zijn schepselen dan ook, zichtbaar kunnen observeren.

Het is onmogelijk om de uitgestrektheid van Allah’s schepping, of de grenzen van Zijn universum, te bepalen. Naar gelang er vooruitgang wordt geboekt in de ontwikkeling van telescopische instrumenten en deze steeds krachtiger worden, wordt keer op keer het bestaan van voorheen onbekende hemellichamen vastgesteld. Het menselijke verstand kan de diepte van dit eindeloze universum, waarin dagelijks nieuwe ontdekkingen worden gedaan, niet doorgronden. Hoe kan het dan voor het nietig menselijk oog mogelijk zijn de Schepper en de Meester van het Universum te zien?

Hoe vaak wordt onze aandacht niet afgeleid als we iets moois om ons heen zien, zoals een bloem, een prachtige zonsopkomst, een pasgeboren baby in alle onschuld, enz. Indien wij Allah met onze fysieke ogen zouden kunnen zien, de Schepper, Die de prachtigste en voortreffelijkste eigenschappen bezit, zouden wij dan nog in staat zijn onze aandacht op iets anders te richten?

Het gezichtsvermogen van de waarachtigen

Direct na het vers “het gezicht kan Hem niet bevatten”, stelt de Heilige Koran:

“Inderdaad zijn er duidelijke bewijzen (basâ’ir) van uw Heer tot u gekomen. Wie dus ziet (absara), het is voor zijn eigen welzijn. En wie blind is, het is ten nadele van zichzelf.” (6:105)

Het hier gebruikte Arabische woord basâ’ir is het meervoud van basirah. Dit woord staat voor de scherpzinnige eigenschap van de menselijke geest. De verzen, die zojuist zijn aangehaald, betekenen dus dat de menselijke visuele eigenschap het Goddelijk Wezen niet kan bevatten. Echter kunnen de scherpzinnige eigenschappen van de menselijke geest Hem herkennen en vinden via de verlichtende bewijzen en argumenten die de menselijke wijsheid aanspreken, gepresenteerd door de Heilige Koran.

Voetnoten

  1. “En Hij is met jullie, waar jullie ook moge zijn” (57:4). “En Allah is Horend, Ziend” (4:134).
  2. “En uw Heer is genoeg als gezag te hebben over alle zaken” (17:65). “Waarlijk, mijn Heer is de Hoeder van alle dingen (inclusief mensen)” (11:57).
  3. “En Allah is Zich Bewust van wat u doet.” (2:243). “Hij is de Kenner van wat in de harten is” (57:6).
  4. The Mysterious Universe, Sir James Jeans.

Uit: Lessons of the Holy Qur’an

Auteur: Nasir Ahmad Faruqui

 
Make Text Bigger Make Text Smaller Reset Text Size