Site navigatie
Home Wetenschap Een Gedachte achter het bestaan
Een Gedachte achter het bestaan
Written by Reza Ghafoerkhan, Sharda Ahmadali, Riaz Ahmadali, Irshaad Djoemai   

‘Stichting Algeweten’ is een stichting ter bevordering van algemene wetenschapsbeoefening. Om aan haar doelstellingen gestalte te geven, organiseert de Stichting regelmatig lezingenseries. De eerste vond plaats in 2002 en de sprekers waren prof. dr. L. Th. Waaldijk (voorzitter van de Stichting), Ir. Dennis Wip, mr. Carlo Jadnanansing en dhr. Chan B. Misier.

Een tweede lezingenserie vond plaats in januari 2003. De sprekers waren dhr. Paul Naarendorp, drs. Sharda Ahmadali-Doekhie en drs. Hein Eersel.

Sharda Ahmadali-Doekhie, die de tweede inleiding verzorgde, studeerde farmacie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Haar doctoraal in de farmacie behaalde zij in 1997, met een specialisatie in sociale farmacie en farmaco-epidemiologie. Na haar studie vestigde zij zich met haar gezin in Suriname.

In Suriname was mw. Ahmadali enige tijd werkzaam in de apotheek van het Academisch Ziekenhuis. Momenteel is ze verbonden aan
N.V. Soma apotheek als wetenschappelijk medewerker en daarnaast verzorgt zij colleges farmacologie aan verpleegkundigen van het Academisch Ziekenhuis.

Ook op sociaal en religieus gebied is mw. Ahmadali actief. Ze is bestuurslid van het ‘Instituut voor Islamitische Studies en Publicaties’ en redactielid van het tijdschrift ‘De Dageraad’. Verder heeft zij, samen met nog andere medewerkers van voornoemd Instituut, verschillende cursussen in de Islam gevolgd binnen en buiten Suriname.

De voordracht van mw. Ahmadali is, op verzoek van velen, in extenso in deze editie van ‘De Dageraad’ opgenomen.


De onpeilbare bron van het bestaan

Als er een begin is geweest, is er een tijd vóór het begin geweest.

En een tijd vóór de tijd die vóór de tijd van dat begin is geweest.

Als er bestaan is, moet er niet-bestaan zijn geweest.

En als er een tijd is geweest dat er niets bestond,

moet er een tijd daarvoor zijn geweest – toen zelfs niets niet bestond.

Toen niets opeens tot bestaan kwam, kunnen we wel vaststellen

of dat tot de categorie van bestaan of van niet-bestaan behoorde?

Zelfs de woorden die ik zojuist heb geuit – ik kan niet zeggen

of ze echt zijn geuit of niet.

Citaat uit het Taoïsme


Inleiding

Alvorens van start te gaan, wil ik het bestuur van “Stichting Algeweten” van harte dank zeggen voor deze aan mij geboden gelegenheid, om deze inleiding aan u te presenteren.

In de vorige inleiding heeft u kunnen vernemen, wat de mens nodig heeft om zich fysiek zo goed mogelijk in leven te kunnen houden binnen de hem vijandig gezinde omgeving. In mijn inleiding zal worden nagegaan, in hoeverre er naast het fysieke bestaan nog meerdere dimensies zijn aan het menselijk leven, en zo ja, in welke mate de noodzaak bestaat ook aan deze dimensies onderhoud te schenken. In onze zoektocht naar deze dimensies zullen zowel wetenschappelijke als religieuze bronnen worden aangehaald, waarbij zal worden nagegaan of die dezelfde opvatting hanteren aangaande de te behandelen materie; indien dat zo blijkt te zijn, kan een zo breed mogelijk draagvlak worden gecreëerd voor de naderhand te trekken conclusies. Hierbij dient opgemerkt te worden, dat alle in deze inleiding aan te halen religieuze visies zullen worden gebaseerd op de Koran, het heilige boek van de Islam.

1. De schepping van het heelal

Alvorens onze zoektocht naar een gedachte achter al het bestaande te beginnen, zullen we nagaan hoe dit bestaan, ofwel de schepping, tot stand kwam. De heden algemeen aanvaarde theorie over het begin en ontstaan van het heelal is de zogenaamde oerknaltheorie, hetwelk inhoudt dat alle nu aanwezige materie in de ruimte op een zeker moment in het verleden als het ware samengedrukt was tot één compacte, hete massa in zijn meest elementaire vorm. Deze oersoep knalde op gegeven moment uiteen, waardoor tijd en ruimte ontstonden; de elementaire hete materie koelde af en op den duur ontstonden hieruit atomen. Door een wisselwerking van verschillende fysische krachten ontstonden er sterrenstelsels, waaronder onze eigen Melkwegstelsel.

De Zon (de zon is een naam van een ster: er bestaat dus maar één zon) is één van de sterren van de Melkweg. In een vroeg stadium wierp de zon materie af, waaruit de verschillende planeten ontstonden, waaronder de aarde. Het proces verliep verder naar alle waarschijnlijkheid als volgt:

  • afkoelen van de gloeiende aarde en ontstaan van de aardkorst;
  • ontstaan van de uit gaswolken bestaande aardatmosfeer door de uitstoot van vulkanen;
  • ontstaan van organische verbindingen onder invloed van de infrarode stralen van de zon en de elektrische ontlading van bliksemstralen;
  • ontstaan van regenwolken uit de stoom, die uit de vulkanen vrijkwam; hierdoor ging het regenen en ontstonden de oceanen. Bij het afkoelen van de aardkorst ontstonden er barsten waar waterdamp uit ontsnapte, die condenseerde tot water en dus tot oceanen;
  • de regen spoelde de organische moleculen uit de gaswolken, zodat in de oceanen een organische soep werd gevormd;
  • toen daarna de atmosfeer rustiger werd, kon het zonlicht de aarde bereiken en zo’n 3,5 miljard jaar geleden ontstonden fotosynthetiserende organismen, die energie uit zonlicht konden halen;
  • hierna ontstonden het planten- en het dierenrijk; uit dit laatste kwam tenslotte de mens voort.

We zullen nu bekijken wat de Koran zegt over de schepping van hemel en aarde. Ik citeer drie verzen:

1. Bent u de sterkere in schepping, of de hemel? Hij heeft die gemaakt. Hij heeft zijn hoogte hoog verheven en die volmaakt gemaakt. En Hij heeft zijn nacht duister gemaakt en zijn licht naar buiten gebracht. En de aarde, Hij heeft die daarna weggeworpen. Hij heeft daaruit haar water en haar weiden voortgebracht. En de bergen, Hij heeft die stevig gemaakt. Een voorziening voor jullie en voor jullie vee. (79:27-33)

2. Zien degenen die niet geloven niet dat de hemelen en de aarde gesloten waren, toen hebben Wij ze opengespleten. En Wij hebben van water elk levend ding gemaakt. Zullen zij dan niet geloven? (21:30)

3. Gelooft u waarlijk niet in Hem, Die de aarde in twee tijdperken geschapen heeft, en plaatst u gelijken naast Hem? Dat is de Heer der werelden. En Hij heeft daarop bergen op haar oppervlak gemaakt, en Hij heeft daarop gezegend en daarop haar voedingsmiddelen gemaakt in vier tijdperken: gelijkelijk voor degenen die zoeken. (41:9-11)

Deze meer dan veertienhonderd jaar oude verzen vertellen ons:

  • dat er een opensplijting heeft plaatsgevonden, hetgeen zou kunnen duiden op de Big Bang;
  • dat de aarde werd weggeworpen, hetgeen aanduidt dat zij vanuit een grotere schepping werd afgescheiden;
  • dat de aarde na de hemelen werd geschapen;
  • dat water de bron van alle leven is; een opmerkelijke waarheid, die niet bekend was in de wereld ten tijde van de openbaring van de Koran;
  • dat de aarde geschikt werd gemaakt om daarop te leven. Het water, dat het bron van al het leven is, werd daaruit voortgebracht, waardoor plantengroei mogelijk werd gemaakt. Verder wordt ons verteld dat de bergen hoog werden gemaakt, zodat ze konden dienen als een voorziening voor jullie en jullie vee; de bergen zijn, zoals bekend, de bronnen van de rivieren, die alle levende dingen op aarde voorzien van onderhoud;
  • dat de Koran in grote lijnen dezelfde volgorde in de schepping aanhoudt, die de wetenschap hanteert: de schepping van een hoogte (de hemel), het licht (de zon), aarde, water, weiden en levende wezens.

We zien dus dat de huidige wetenschappelijke concepten van de oorspronkelijke compacte vuurbal van energie en materie, de big bang en de aanhoudende expansie van het heelal, tot zover een treffende gelijkenis vertonen met de Koranische openbaring.

2. De schepping van de mens

De wetenschap gaat ervan uit, dat net zoals het eerste leven op aarde ontstond en zich verder ontwikkelde, ook de mens als een oerorganisme in het leven werd geroepen en zich later evolueerde tot haar huidige vorm. Ook de Koran leert, dat de mens zich via een evolutieproces naar de huidige vorm ontwikkelde[1], doch de opvatting, dat de mens van een ander dierlijk wezen, bijvoorbeeld een aap, afstamt, wordt niet ondersteund. Eén vers stelt dat de mens uit één enkel wezen is geschapen; zodoende vormt het menselijk ras een eigen en uniek ras op zich[2]. Een ander vers stelt dat dieren, vogels en mensen ieder uit een apart geslacht ontstonden[3]; er ontstond dus in de loop van de schepping een geslacht, dat vanaf het begin voorbestemd was mens te worden.

Aangaande dit punt is het voldoende vast te stellen, dat zowel de wetenschap als de Koran ervan uitgaan dat ook de mens uit een evolutieproces is voortgekomen.

3. Een Gedachte achter de schepping

We hebben zojuist gezien, dat de wetenschappelijke en de Koranische visie aangaande de schepping zeer sterke overeenkomsten vertonen. Maar hoe zit het met het allereerste begin? Zijn wetenschap en religie het ook daarover eens? Met andere woorden: bestaat er één of andere Kracht of Macht achter deze schepping, die dit wonder heeft bedacht en uitgevoerd?

Als we de Koran raadplegen, zien we dat reeds het eerste vers ons op de hoogte stelt van het bestaan van de Schepper: Alle lof komt God toe, de Heer (Rabb) der werelden (1:1).

Het Arabische woord Rabb (Heer) wordt elders in de Koran uitgelegd als Degene, Die schept en vervolmaakt, Die de maat uiteenzet en leidt[4]. Elk ding in het universum, dus ook de mens, is onderworpen aan deze vier wetten, zoals blijkt uit de woorden Heer der werelden. De mens, bijvoorbeeld, wordt vanuit een heel eenvoudig begin geschapen; zijn eerste toestand in de baarmoeder is die van een onzichtbare levenskiem, die zich geleidelijk aan ontwikkelt tot een volmaakte menselijke gedaante. Rabb betekent dus ook dat de mens via een evolutieproces is ontstaan. Verder betekent Rabb dat elk ding in de schepping in stand wordt gehouden; het wordt volgens een maat gemaakt en zijn ontwikkeling volgt een bepaalde lijn; en het is God, Die het leidt of doet lopen langs die lijn.

Elke gebeurtenis in de schepping is dus het gevolg van de gedachte van een Denkend Wezen. Deze uitdrukking van de Goddelijke intentie wordt in de Koran beschreven met de woorden: Wees, en het wordt. In totaal komen deze woorden zeven maal voor in de Koran. Ik haal hieronder vier verzen aan:

  1. Wonderbaarlijke Schepper van de hemelen en de aarde! En wanneer Hij een zaak beslist, zegt Hij daartoe slechts: Wees, en het wordt. (2:117)
  2. Hij is het Die leven geeft en doet sterven, en wanneer Hij een zaak bepaalt, zegt Hij daartoe slechts: Wees, en het wordt. (40:68)
  3. Ons woord voor een ding, wanneer Wij het wensen, dan zeggen Wij slechts daartegen: Wees, en het wordt. (16:40)
  4. Is Hij, Die de hemelen en de aarde schiep niet in staat hun gelijke (mithlahum) te scheppen? Ja! en Hij is de Schepper (van alles), de Wetende. Zijn gebod, wanneer Hij iets wenst, is slechts dat Hij daartegen zegt: Wees, en het wordt. Derhalve, glorie zij Hem in Wiens hand het koninkrijk van alle dingen is! En tot Hem zult u worden teruggebracht. (36:81-83)

Uit deze verzen leiden wij af:

  • dat alles in de fysische natuur tot stand komt via de Goddelijke gedachte Wees, en het wordt;
  • dat deze wet ook van toepassing is op de levende natuur;
  • dat ook de gebeurtenissen en omstandigheden in de schepping, en dus ook in het leven van de mens, bepaald worden door de Goddelijke gedachte;
  • dat het geestelijke leven van de mens na de dood ook een gevolg is van de intentie van God.

Maar hoe kijkt de wetenschap aan tegen het bestaan van een Gedachte achter de schepping?

Tot aan het eind van de negentiende eeuw ging de wetenschap er niet van uit, dat de schepping het werk was van een Goddelijk Wezen. De reden hiervoor was de toen geldende toestand, waarin de wetenschap verkeerde; die steunde op twee pijlers, namelijk de bewegingswetten van Newton, waarmee alle bewegingen van kleine en grote voorwerpen, tot zelfs de hemellichamen, nauwkeurig berekend konden worden, en de elektromagnetische theorie van Maxwell, waarmee alle elektromagnetische verschijnselen konden worden beschreven. Men concludeerde dat het heelal met alles daarin een soort van machine was, waarin alle grootheden door de mens berekend en voorspeld konden worden.

Dit beeld werd omvergeworpen door de ontdekking van bepaalde verschijnselen, die de aanzet gaven tot twee nieuwe takken van de wetenschap, namelijk de kwantum- en de relativiteitstheorie. De kwantumtheorie kwam met de onthutsende conclusies dat grootheden in de natuur niet scherp van tevoren vaststonden, maar onderworpen waren aan waarschijnlijkheid, en de relativiteitstheorie leerde dat tijd en ruimte geen absolute grootheden zijn, maar afhankelijk zijn van menselijke waarnemingen.

Sir James Jeans

Na het ontstaan van deze twee takken van de wetenschap, kwamen steeds meer wetenschappers tot het inzicht dat de schepping niet meer statisch en absoluut was, maar dat er een bepaalde factor achter de natuur verborgen was, die het gehele gebeuren in de schepping controleert en reguleert. Eén van die wetenschappers was Sir James Jeans (Engelse wis-, natuur- en sterrenkundige, 1877-1946), die in zijn boek The Mysterious Universe enkele uitspraken deed die tot nadenken stemmen. Ik zal enkele daarvan aanhalen:

  1. “De moderne wetenschap kan onmogelijk de negentiende eeuwse opvattingen over de ruimte accepteren; het heelal kan niet in termen van materie worden voorgesteld. De reden hiervoor is, denk ik, dat het heelal, ruwweg en onvolledig, beschreven kan worden als uit een zuivere gedachte te bestaan.”
  2. “Wij beschouwen de Externe Realiteit niet langer meer als een machine. De werking moge dan mechanisch zijn, maar in essentie is het een realiteit van Gedachte.”
  3. “Een gedachte of een idee kan echter niet bestaan zonder een geest om in te bestaan.”
  4. “Nogmaals, wij kunnen de natuurwetten zien als wetten van de gedachte van een Universeel Brein. De uniformiteit van de natuur verkondigt zelf de consequentheid van dit Brein.”

Berkeley

De wetenschapper Berkeley gaat een stuk verder door in zijn boek De wetenschap in ernstige problemen te schrijven:

“Velen zijn van mening dat het belangrijkste werk van de twintigste eeuwse fysica niet ligt in de relativiteitstheorie met zijn vastkoppelen van ruimte en tijd, niet in de kwantumtheorie met zijn huidige opvatting dat er geen wet van causaliteit is, niet in het splitsen van het atoom met de daaruit voortvloeiende ontdekking dat de dingen niet zijn wat ze lijken, maar in de algemene erkenning dat wij de Ware Realiteit nog niet hebben bereikt.”

Dr. Deepak Chopra

Een wetenschapper van de huidige generatie, Deepak Chopra, geeft in zijn boek Quantumgenezing aan dat er een continu aanwezige intelligentie is achter de werking van bijvoorbeeld het menselijk lichaam. Zo haalt hij als voorbeeld aan het DNA-celletje in de eicel dat, vanuit de onderste sport van de ladder, precies weet hoe het zich moet ontwikkelen tot een foetus en verder. Deze ‘intelligentie’ stuurt dus het gehele proces, vanaf de conceptie tot de vervolmaking van welk wezen dan ook. Hij gaat zelfs zover door te stellen dat wij niet, zoals de wetenschap beweerde, fysieke machines zijn die hebben geleerd te denken, maar dat het inzicht daagt “dat wij gedachten zijn, die hebben geleerd een fysieke machine te creëren”.

We zien dus dat verschillende wetenschappers, louter op grond van het bestuderen van de stoffelijke natuur, tot de conclusie komen dat er een bepaalde gedachte achter de schepping bestaat, die onstoffelijk en dus geestelijk van aard moet zijn. Met zijn theorie van de ‘alomtegenwoordige intelligentie’, die het gehele proces van ontwikkeling stuurt, heeft Dr. Deepak Chopra het reeds meer dan 1400 jaar oude Koranische concept van Rabb herontdekt. Zowel vanuit religieus als vanuit wetenschappelijk oogpunt kan derhalve worden beredeneerd, dat de schepping en de instandhouding ervan het werk zijn van een Onstoffelijke Macht.

4. Bestaan van de ziel

Ook bij de mens vindt er continu een scheppingsproces plaats, voortkomende uit het onstoffelijke. Wanneer de gedachte ontstaat om een bepaalde handeling te verrichten, vindt er als gevolg van die gedachte een activiteit plaats in de hersenen, die op hun beurt de verschillende lichaamsfuncties in werking stellen om de gewenste handeling te verrichten. We zien dus dat iets immaterieels, namelijk de menselijke gedachte, invloed heeft op iets materieels, namelijk de hersenactiviteit, en dat aldus de gedachte van de mens een scheppende kracht heeft, net zoals dit geldt voor de Grote Gedachte van het Scheppend Wezen.

Dit denkproces is één van de zaken die de mens onderscheidt van de overige schepping. De mens heeft een vrije wil en verstand gekregen. Hierdoor kan hij keuzes maken, waardoor hij verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn daden. De Koran stelt dat iedere daad een gevolg heeft[5]; deze gevolgen hebben een invloed op de geestelijke wereld van de mens, in het bijzonder op dat deel, dat bekend staat als de ziel. Wij zullen nu trachten na te gaan, wat deze ziel inhoudt.

De Heilige Koran vermeldt dat God, na het voltooien van de fysieke schepping, Zijn Geest in de mens inblies[6]. De populaire interpretatie hiervan is, dat God een kleipop zou hebben gemaakt en daarin het leven zou hebben geblazen, doch eerder is gebleken, dat de mens uit een evolutieproces voortkwam en dus geleidelijk aan zijn huidige vorm kreeg. Het inblazen van de geest betekent derhalve niet, dat een kleipop levend werd gemaakt, maar het betekent dat aan de mens iets werd gegeven, dat hem zou moeten onderscheiden van het overige deel van de schepping. Uit religieus oogpunt bekeken wordt dit onderscheid gemaakt door de ziel, die in wezen de verbinding vormt tussen de fysieke mens en zijn Schepper.

Het zou te ver voeren om bij deze gelegenheid uitgebreid in te gaan op het concept van de ziel volgens de Koran. Voor dit moment stellen wij vast, dat de ziel “dat onstoffelijke deel van de mens is, dat zich vormt en ontwikkelt naar aanleiding van zijn gedachten, keuzes en handelingen tijdens zijn leven op aarde”. De ziel is dus onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg.

Ook vanuit ander oogpunt bekeken, kan het bestaan van een “onstoffelijke component” in de mens beredeneerd worden. Zo schrijft Louise Hay in haar boek Gebruik je innerlijke kracht, dat alle daden van de mens een gevolg hebben. Ik citeer:

“De wet van oorzaak en gevolg is altijd en op ieder niveau werkzaam. Als we andere mensen kleineren en over anderen oordelen, zullen we zelf ook gekleineerd en beoordeeld worden. Als we vaak boos zijn, zullen we vaak met de boosheid van anderen geconfronteerd worden. De liefde die we voor onszelf hebben, houdt ons in contact met de liefde die het leven voor ons heeft.”

Evenzo schrijft Deepak Chopra in zijn boek De zeven spirituele wetten van succes:

“Het is logisch dat, als we geluk willen oogsten in ons leven, we moeten leren de zaden van het geluk te zaaien.” ... “Of u het nu leuk vindt of niet, alles wat er op dit ogenblik gebeurt, is het resultaat van de keuzen die u in het verleden hebt gemaakt.”

Alle daden van de mens hebben dus een gevolg. Het verschil met de religieuze visie is, dat schrijvers over het algemeen de gevolgen van ’s mensen daden in dít leven veronderstellen; de religieuze visie gaat er over het algemeen van uit, dat de gevolgen van ’s mensen daden in een hiernamaals op de ziel van invloed zullen zijn.

De Koranische visie is een combinatie van deze twee zienswijzen. Zij gaat ervan uit, dat de bewust verrichte daden van de mens zijn ziel hier op aarde vormen en ontwikkelen en dat de ziel na de dood zal voortleven in dezelfde ontwikkelingstoestand, waarin zij de wereld verliet. Echter zullen, vanwege de loskoppeling van lichaam en ziel bij de dood, de gewaarwordingen van de ziel na het aardse leven geheel anders zijn dan hier op aarde. Het ontwikkelingsniveau van de ziel hier op aarde verschilt dus niet met dat van na de dood; er is alleen een verschil in gewaarwording en manifestatie.

Uit het voorgaande is gebleken dat er, behalve de zichtbare wereld, ook een onzichtbare wereld is. De ziel van de mens, die bij de schepping door God in hem werd geblazen, is een deel van deze onzichtbare wereld en deze ziel onderscheidt de mens van de dierenwereld. En aangezien de ziel onderworpen is aan de wet van oorzaak en gevolg, en volgens de religieuze visie ook na de dood zal blijven voortbestaan, kan het noodzakelijk geacht worden om naast het fysieke lichaam ook de ziel te onderhouden, om zodoende positieve gevolgen teweeg te brengen voor de toekomst.

Nu wij tot deze conclusie zijn gekomen, zou onze inleiding zeer onvolledig zijn als wij u niet een concept zouden aanbieden, hoe de geestelijke dimensie van de mens zich kan ontwikkelen. Het laatste deel van mijn inleiding zal ik dan ook hieraan besteden.

5. Ontwikkeling van de ziel

In het vers “Daarna maakte Hij hem compleet en blies in hem van Zijn geest” wordt naar voren gebracht, dat de geest van God in elk mens wordt geblazen. Dit wijst op een mystieke relatie tussen de menselijke en de Goddelijke natuur. Het woord ruh, dat in dit verband wordt gebruikt, betekent hier niet de dierlijke ziel, omdat de mens en het dierenrijk de dierlijke ziel gemeen hebben. Het is iets dat de mens onderscheidt van de dierenwereld, zoals wij reeds zagen. Het is vanwege deze Goddelijke geest dat de mens heerst over de schepping, en het is vanwege dezelfde Goddelijke geest in hem dat hij een nieuw leven na de dood ontvangt – een leven waarin hij in God en met God leeft.

Dit aardse leven is bedoeld om de mens voor te bereiden op een hoger bestaan. De Goddelijke geest, waarmee de mens wordt begiftigd, wordt ruh genoemd, welks zuiverheid weerspiegeld wordt in de onschuld van een kind (volgens de Islamitische visie komt iedere ziel onbelast ter wereld; de leer der erfzonde wordt niet ondersteund). Wanneer de ziel beïnvloed wordt door de individuele handelingen van de mens, vormt het een eigen persoonlijkheid op zich en wordt het de ziel of nafs genoemd.

In zijn eerste (dierlijke) stadium wordt de menselijke ziel ammaarah genoemd, d.w.z. die de neiging heeft kwaad te gebieden[7]. Dit is in feite het laagste stadium in de geestelijke groei van de mens. Het is wat zijn dierlijke zelf genoemd kan worden; lage begeerten en dierlijke hartstochten beheersen de gedachten van de mens, en hij is in staat elk kwaad te doen zonder een naar gevoel daaraan over te houden.

De volgende fase wordt de lawwaamah[8] genoemd, de zelfbeschuldigende ziel, waarbij de minste afwijking van het pad van rechtschapenheid onmiddellijk gewetenswroeging opwekt. In dit stadium vindt er een innerlijke strijd plaats tussen de lagere verlangens van de mens, die hem tot het kwade aanzetten, en zijn verlangens tot een hoger moreel en geestelijk leven, die hem tot goede daden aansporen; een strijd die hij soms wint en soms verliest.

Het derde stadium is het stadium van volmaaktheid – de mut-ma’innah[9], of de ziel in rust, wanneer die zich in volmaakte vrede bevindt, het doel van volmaaktheid bereikt hebbende. Dit is het hoogste stadium in de geestelijke ontwikkeling van de mens; het stadium waarin hij in tevredenheid verkeert bij zijn Heer, en gemoedsrust, vreugde en genot in Hem vindt. In deze fase worden de zuivere en volmaakte oprechtheid, waarachtigheid en rechtschapenheid van een persoon door de Almachtige God beloond door hem een hemel op deze aarde te schenken. Alle anderen kijken uit naar een toekomstig paradijs, maar hij gaat het paradijs reeds in dit leven binnen[10]. Dit is een heel belangrijk concept in de Islam; hel en paradijs zijn geestelijke gewaarwordingen, die reeds in dit leven ervaren kunnen worden.

Het hoeft geen betoog dat de mens, om de hierboven behandelde fasen van ontwikkeling van de ziel te doorlopen om zodoende de Schepper te bereiken, de leiding zal dienen te volgen die de Schepper vanaf het begin der mensheid in etappes naar de mensen heeft gestuurd.

6. Conclusie

Wij hebben in het voorgaande gezien, dat er zeer duidelijke parallellen zijn tussen de wetenschappelijke en de Islamitische visie aangaande het ontstaan van de gehele schepping. Naast deze parallellen in de fysieke schepping, hebben wij gemerkt dat zowel wetenschappers als de religieuze visie beamen dat er een bepaalde Gedachte bestaat, Die verantwoordelijk is voor de creatie en het onderhoud van de gehele schepping en dat ook in het menselijk lichaam continu zo’n Gedachte, ofwel intelligentie, werkzaam is. Wij hebben ook gezien dat de mens, behalve uit een fysiek gedeelte, tevens uit een geestelijke component bestaat, die onderworpen is aan de wet van oorzaak en gevolg, en die volgens de religieuze visie na het vergaan van het fysieke lichaam zal blijven voortbestaan, namelijk de ziel. En hieruit blijkt dan de noodzaak om, behalve aan het fysieke lichaam, ook aan dit geestelijk deel van de mens onderhoud te schenken; een concept hoe dit kan worden bewerkstelligd werd ook behandeld.


Voetnoten

[1] En voorzeker hebben Wij de mens van gedroogde klei geschapen, van zwart slijk, tot een gedaante gevormd. (15:26)

Die ieder ding dat Hij geschapen heeft, goed maakte, en Hij begon de schepping van de mens uit stof. Daarna maakte Hij zijn nakomelingschap uit een extract, uit geringgeschat water. Daarna maakte Hij hem volkomen en blies in hem van Zijn geest, en maakte voor u de oren en de ogen en de harten. (32:7-9)

Er kwam waarlijk een tijdruimte over de mens, wanneer hij geen vermeldenswaardig ding was. (76:1)

[2] O mensen, vervul jullie plichten jegens jullie Heer, Die jullie uit één enkel wezen heeft geschapen en zijn partner uit hetzelfde (soort) heeft geschapen, en uit deze twee vele mannen en vrouwen heeft verspreid. (4:1)

[3] Er is geen dier dat op de aarde loopt, en ook geen vogel die met zijn beide vleugels vliegt, of ze zijn geslachten zoals jullie zijn. (6:38)

[4] Verheerlijk de naam van uw Heer (Rabb), de Allerhoogste. Die schept en vervolmaakt. En Die de maat uiteenzet en leidt. (87:1-3)

[5] En Wij deden de daden van ieder mens om zijn nek kleven, en Wij zullen voor hem een boek tevoorschijn brengen op de Dag der Wederopstanding. (17:13)

[6] Zo is de Kenner van het ongeziene en het geziene, de Machtige, de Genadige. Die elk ding dat Hij heeft geschapen prachtig heeft gemaakt, en Hij begon de schepping van de mens uit stof. Daarna maakte Hij zijn nakomelingen uit een extract van minderwaardig water. Daarna maakte Hij hem compleet en blies in hem van Zijn geest, en gaf jullie oren en ogen en harten; weinig is het wat jullie danken! (32:6-9)

[7] Waarlijk, het zelf (of de eigen ik, of de ziel) van de mens is gewoon (of heeft de geneigdheid) te bevelen tot (het doen van) het kwade. (12:53)

[8] Ja! Ik roep op tot getuige de zelfbeschuldigende ziel. (75:2)

[9] O ziel die in rust is. Keer terug naar uw Heer (Rabb), tevreden met Hem, Hem welgevallig. Treed dus toe onder Mijn dienaren, en treed Mijn tuin binnen. (89:27-30)

[10] En voor degene die vreest te staan voor zijn Heer, zijn er twee tuinen. (55:46)

En breng het goede nieuws aan degenen die geloven en goede daden verrichten, dat zij tuinen zullen hebben waarin rivieren stromen; wanneer hen ook een deel van het fruit zal worden gegeven, zullen zij zeggen: Dit is wat ons tevoren was gegeven, en aan hen zal het gelijke daarvan worden gegeven. (2:25)


Bronvermelding

  • De Heilige Koran
  • Islamitisch tijdschrift The Light (redacteur: Dr. Zahid Aziz, artikel van Dr. Mohammad Ahmad)
  • Bucaille, Maurice: De Bijbel, de Qor’aan en de wetenschap
  • Chopra, Deepak M.D.: Hoe wij God kunnen ervaren
  • Chopra, Deepak M.D.: Quantumgenezing
  • Chopra, Deepak M.D.: De zeven spirituele wetten van succes
  • Ghulam-Ahmad, Mirza: De leringen van de Islam
  • Hay, Louise L.: Gebruik je innerlijke kracht
  • Muhammad Ali M.A., LL.B: De religie van de Islam
  • Novak, Philip: Wijsheid van wereldgodsdiensten (begincitaat)
  • Spectrum uitgeverij: Een beknopte gids voor aardbewoners
  • http://mediatheek.thinkquest.nl/~ll125/nl/life-2_nl.htm
  • http://mediatheek.thinkquest.nl/~ll125/nl/bigbang_nl.htm
  • http://www.bio.uva.nl/
  • http://www.geocities.com/levensverhaal/het_ontstaan_van_het_eerste_leve.htm
 
Make Text Bigger Make Text Smaller Reset Text Size