Site navigatie
Home Artikelen Islam algemeen Het mensbeeld in de Koran
Het mensbeeld in de Koran
Written by Abdulwahid van Bommel   
De Koran stelt vijf kwaliteiten centraal in zijn mensbeeld: chalifa (rentmeesterschap), ‘ubudiya (dienaarschap), en dat de mens is begiftigd met irada (vrije wil), een ruh (ziel) en fitra (natuurlijke aanleg tot het goede). Waarbij de mens vanwege zijn mogelijkheden tot spirituele en intellectuele groei en ontplooiing wordt voorgesteld als een voortdurend voor verbetering vatbaar wezen.

a. Chalifa

De mens is chalifa, plaatsvervanger of vertegenwoordiger van Allah op aarde. De mens heeft de gehele schepping onder zijn beheer; dat betekent dat hij verantwoordelijk is voor het welzijn van de schepping, in het bijzonder dat deel ervan dat aan zijn zorg is toevertrouwd, zowel mens, dier als milieu.
Voor het aangezicht van Allah is de mens ‘abd (dienaar). Dit begrip moeten we niet verwisselen met ‘slaaf’, omdat de mens een vrije wil heeft. De mens is vrij zijn eigen plaats in de relatie met Allah te bepalen. Door gelovige Moslims wordt het willen dienen van God echter als hoogste (levens)doel gezien.
Daarbij geldt de volgende overweging: ik dien God niet, omdat Hij mij beveelt, maar: ik dien God, omdat Hij Meester is, Rabb al-alamin (Heer der werelden) en Rahman en Rahim (Barmhartig en Genadevol), en dus weet Hij wat het beste voor mij is. Daaraan dient men zich over te geven. Islam betekent ook ‘overgave’ en een Moslim is hij/zij die in overgave leeft.
De relatie tussen de mens en Allah is direct, d.w.z. dat er geen priesters nodig zijn om de afstand tussen Allah en de mens te overbruggen. De mens zélf is verantwoordelijk voor wat hij doet of nalaat.

Om de gelovige in de gelegenheid te stellen zijn verantwoordelijkheid als chalifa waar te maken, legt de Islam in principe geen beperkingen op aan het verwerven van kennis, macht en autoriteit, behalve die van rechtvaardigheid en de fundamen-tele beperkingen die de mens van nature heeft. De mens moet zich daarbij bewust zijn van het feit dat alles wat hij bereikt van Allah komt. De grondhouding van een Moslim is daarom die van dankbaarheid. Hij is geen asceet die de wereld ontkent, maar geniet ervan met mate en met een goed geweten.

De Islam zegt bijv.: Zoek kennis, zelfs tot in China. Maar wat doe je met de verworven kennis? Wat is jouw verantwoordelijkheid? Als we kernenergie nodig hebben, wat doen we dan met het kernafval? Wat is de relatie tussen vooruitgang en milieurampen? Tussen het fabriceren van het allernieuwste wasmiddel en vervuiling? Het gat in de ozonlaag? En wat is de relatie tussen het nieuwste model auto en zure regen?

Vanuit het chalifa-schap ben je verantwoordelijk voor je medemens. Lijdt hij honger, dan zou je je bezit of rijkdom in drieën kunnen verdelen, zoals bij het offervlees. Eenderde deel is voor jezelf, eenderde deel is voor je gasten en reizigers en eenderde deel is voor de armen.

b. ‘Ubudiya

De mens is weliswaar met bijzondere vermogens geschapen, maar ontleent de zin en betekenis van zijn bestaan toch aan een ander aspect (95:4): “Ik (zegt Allah) heb de mens uitsluitend geschapen om Mij te aanbidden” (51:56). De mens is dus in het leven geroepen voor ‘ibada, aanbidden of dienen van de Schepper. ‘Ibada kan in eerste instantie betekenen dat we ons tot Allah richten met woorden en handelingen die we via de Koran van Hem hebben geleerd. In bredere zin betekent het alle handelingen waarmee we Zijn welbehagen zoeken en die ons vervolgens uit de duisternis naar het licht leiden (5:16).

Een nog rijkere betekenis van het vers over de reden van de schepping van de mens is: “Ik heb de mens uitsluitend geschapen om Mij te leren kennen”, zoals een aantal uitleggers van dit vers toelicht. God bewust dienen doen we door Zijn geboden te volgen, waarbij we de keuze hebben om die wel of niet uit te voeren. Een deel van onze ‘ibada voeren we uit of we het willen of niet en een deel doen we bewust om in harmonie met al het bestaande te komen. Het zoeken van de reden van je aanwezigheid op aarde en die te vinden in aanbidding en het dienen van Allah, is de zin van het bestaan en de vervulling ervan.

c. Fitra

De mens is geboren met fitra, d.w.z. dat hij de aanleg en alle mogelijkheden heeft om een goed mens te worden. Fitra betekent zoiets als ‘oorsprong’, ‘aanleg’ of ‘Allah’s schepping’. Welnu, Allah’s eigen werk kan niet anders dan goed zijn; er is dus geen erfzonde.
Vanuit de Islamitische opvoedingsgedachte ligt de nadruk op het ontwikkelen van de goede eigenschappen van het kind: het goede van de fitra wordt benadrukt en eventuele negatieve erfelijke eigenschappen worden bijgestuurd of geneutraliseerd. Het uiteindelijke doel van de opvoeding is het versterken van de band tussen de mens en Allah.

De mens als chalifa kan zijn verantwoordelijkheden niet dragen als hij niet de mogelijkheden heeft die hem daartoe in staat stellen. Het fitra-concept wordt in de Koran toegelicht (30:30): “Richt dus uw aangezicht oprecht en in waarheid tot het geloof volgens de natuur naar welke Allah de mensen heeft geschapen. De schepping van Allah ondergaat geen veranderingen. Dat is de ware leefwijze. Maar de meeste mensen weten het niet.”
De Profeet heeft hierover gezegd: “Iedere nieuwgeborene komt ter wereld met de fitra. Het zijn de ouders die hem vuuraanbidder, Jood of Christen maken.” De Profeet was zich dus in die tijd bewust van de invloed van de omgeving bij de opvoeding. De Koran beschouwt echter ook dat de mens voldoende mogelijkheden heeft om op zijn eigen manier te reageren op omgevingsinvloeden.

d. Ruh

Het ‘lichamelijk zijn’ van de mens wordt positief gewaardeerd en daarmee ook zijn biologische behoeften, zoals de behoefte aan voedsel, drinken en seks.
Daarnaast kent de mens nóg een wezenlijk bestanddeel: ruh (geest/ bezieling). Menselijk gedrag is het resultaat van de samenwerking tussen lichaam en geest, die meestal als een eenheid worden beschouwd. Daardoor kan de mens op menselijke wijze zijn behoeften bevredigen. Anders dan de dieren hoeft hij geen slaaf van zijn driften, lusten en passies te zijn, maar is hij door zijn ruh in staat er een beheerst gebruik van te maken.
Het dagelijks gebed, het reciteren van de Koran en dhikr (gedenken van Allah) geven voedsel voor de geest en door het naleven van de vasten gedurende de maand Ramadan trainen we discipline en (zelf)beheersing.
Gebed en het reciteren van de Koran als ‘voedsel voor de geest’ gaan gelijk op met de lichamelijke verzorging. Een relevant gezegde van de Profeet luidt: “Uiterlijke discipline leidt tot innerlijke vooruitgang.”

e. Irada

De mens heeft een vrije wil. Hij kan zijn eigen handelwijze kiezen. Alleen zó kan hij verantwoordelijkheid dragen als chalifa. Maar dat wat hij kiest ligt niet buiten het bereik van Gods wil. Misschien is dit het beste als volgt uit te drukken: het gaat bij de mens om de vrije keuze voor het ‘geleid willen worden’ door God. Het is jouw keuze om wel of niet geleid te willen worden en tegelijkertijd is het Gods wil.
Sommigen vertalen Allah yahdi man yasja met ‘Allah leidt wie Hij wil’. Maar een andere betekenis is: ‘Allah leidt wie wil’. Allah heeft gewild dat de mens een eigen wil heeft. De mens is verantwoordelijk voor de keuzen die hij/zij in vrijheid maakt.

Vanuit het hier beschreven mensbeeld wordt duidelijk waarom de Islam zich niet als een etnische, maar als een universele godsdienst beschouwt. Allereerst gaat het om de mens zelf in relatie tot God. Pas op de tweede plaats behoort hij/zij tot een bepaalde wereldgemeenschap van Moslims – de gemeenschap van het midden – zoals de Koran het noemt. En op de derde plaats behoort hij/zij tot een bepaald volk. Ook geeft het mensbeeld aan dat de Islam, naast een godsdienst, vooral ook een leefwijze is. In de opvoeding wordt daarom de middenweg gekozen. Extremiteit wordt afgeraden. Vooral het Koranvers: “Niemand wordt belast boven zijn of haar vermogen” (2:286) is hierbij een belangrijk uitgangspunt.

Door: Abdulwahid van Bommel
Uit: Islam en de rechten van vrouwen
Uitg. FORUM, Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling, 2005

 
Make Text Bigger Make Text Smaller Reset Text Size